EduLab Wiki
Home Home
RSS


»
Geavanceerd Zoeken »


Navigatie                   


Gebruiker                  


Help                           


Beheer                      

AS-Interface

RSS
Gewijzigd op maandag, 10 september 2012 15:05 door Michael Gecategoriseerd als Algemeen_Bussystemen, Industriele Bussystemen, Veldbussen
AS-I logo

AS-I logo


Deze pagina is een Draft, de inhoud is nog niet compleet en kan errors bevatten.


AS-Interface

Actor-Sensor niveau

Het Actor-Sensor-Interface is een master-slave veldbus die werkt op het laagste niveau in de automatiseringspyramide: het Actor Sensor niveau. Hier bevinden zich veel binaire sensoren en actuatoren maar ook wel apparaten tot 8 ingangen en/of uitgangen. Bitgeoriënteerde communicatie domineert echter op dit niveau.

Sensoren zijn eenvoudige apparaten zoals drukknoppen, keuzeschakelaars, naderingsschakelaars, niveaudetectoren, klepstanddetectoren, pressostaten en incrementele encoders. Acuatoren die veel voorkomen zijn contactors voor inschakeling van electrische motoren, electro-pneumatische en -hydraulische ventielen, signaallampen en akoestische signaalgevers.

automatiseringspyramide

automatiseringspyramide


Belangrijke eigenschappen van AS-I

systeem kenmerken

systeem kenmerken

AS-I kan ook een subsysteem of toegevoegd netwerk zijn van een veldbus van hogere orde zoals Profibus. In dat geval wordt de AS-I master met alle slaves beschouwd als een slave van het hogere netwerk. De master kan ook integraal deel uitmaken van een groter plc-systeem; de slaves wisselen direct data uit met deze plc. Deze configuratie komt het meest voor.

Topologie

bus-boom netwerk

bus-boom netwerk


De topologie van AS-I komt niet direct overeen met boom, ring, ster, bus of maas. Men kan de topologie het best aanduiden als busstructuur met aftakkingen. AS-I kan ook een subsysteem of toegevoegd netwerk zijn van een veldbus van hogere orde zoals Profibus. In dat geval wordt het AS-I master met alle slaves te beschouwen als een slave van het hogere netwerk. De master kan ook integraal deel uitmaken van een groter plc-systeem; de slaves wisselen direct data uit met deze plc. Deze configuratie komt het meest voor.



Componenten

AS-I Master

Siemens LOGO! met AS-I Slave

Siemens LOGO! met AS-I Slave


De master kan een zelfstandig werkende AS-I PLC zijn. Deze PLC’s worden bijvoorbeeld geleverd door IFM en Bihl & Wiedemann GMbH. Vaak zijn deze AS-I plc’s gecombineerd met een gateway naar andere veldbussen zoals Profibus, CAN en Modbus maar ook met Ethernet TCP/IP. De master kan integraal of als extra module deel uitmaken van een “gewone” PLC.

Voor gebruik in PC’s zijn masters te koop als PCI-board.

as-i masters

as-i masters


Op as-I kun je afbeeldingen en specificaties zien van alle leverbare AS-I componenten (selecteer: show as list with thumbnails.)

De buskabel

De AS-I kabel is een 2-aderige, niet afgeschermde asymetrische prikkabel. De kabelmantel is geel en de aderkleuren zijn bruin en blauw; de aders zijn niet getwist en de open kabeleinden hoeven niet te worden afgesloten met een terminator. De maximale toelaatbare frequentie op de kabel is 200 kHz.

as-i kabel

as-i kabel

Over de AS-I kabel worden data en voeding (maximaal 8A) getransporteerd. Actuatoren kunnen ook over een aparte zwarte kabel van voeding worden voorzien (ook 24 V DC)

De Slaves

Er zijn 2 soorten slaves. Het ene type bestaat uit een koppelmodule waarop sensoren en/of actuatoren kunnen worden aangesloten. Deze modulen beschikken over een zogenaamd AS-I IC dat communicatie tussen master en slaves mogelijk maakt. Er zijn modulen voor 4 en voor 8 sensoren en/of actuatoren. De verbinding met de AS-I kabel wordt gemaakt door middel van priktechniek.

Veel voorkomende uitvoeringen van slaves

Veel voorkomende uitvoeringen van slaves


Sensoren en actuatoren kunnen ook door de producent al zijn voorzien van het AS-I IC. Deze slaves worden met behulp van een prikconnector direct op de AS-I kabel aangesloten.

aansluitmogelijkheden voor slaves

aansluitmogelijkheden voor slaves


Hieronder zie je enkele actuatoren en sensoren die zijn voorzien van AS-I "intelligentie" en direct (zonder slave-module) op de kabel kunnen worden aangesloten.

"intelligente" AS-I slaves


Voeding

Een AS-I veldbus werkt in principe op een 24V DC. Het voedingsapparaat levert echter ongeveer 30V DC. Door deze hogere spanning is ministens 24V aanwezig op de verst afgelegen punten in het netwerk. Er zijn voeding tot 8 A. De AS-I voeding is zwevend: noch AS-I + noch AS-I – mogen met aarde worden verbonden. De voeding kan op een willekeurige plaats in het netwerk worden aangesloten. Actuatoren werken in principe ook op 24 Volt maar worden apart gevoed. Behalve via de hiervoor genoemde zwarte kabel kan dat ook via een aansluiting op een koppelmodule (mits daarmee voorzien).

AS-I voeding en verschillende aansluitingen

AS-I voeding en verschillende aansluitingen


Voordelen AS-I

Van de vele voordelen die het AS-I systeem biedt ten opzichte van de conventionele I/O aansluitingen, geeft onderstaande tabel de belangrijkste.

Voordelen AS-I

Voordelen AS-I


Enkele beperkingen van AS-I kunnen zijn:
  • de hoeveelheid data per slave en per cyclus is beperkt tot 4 bits. Langere berichten zouden over meerdere cycli kunnen worden verdeeld, maar dat is meestal niet zinvol. AS-I is zodoende minder/niet geschikt om analoge waarden zoals temperaturen en drukken te versturen.
  • in dit master-slave systeem is geen mogelijkheid voor meerdere masters en ook niet voor slave-to-slave communicatie.
  • de fysieke systeemomvang is beperkt tot 62 slaves en (zonder repeaters) tot 100 meter.

AS-I Communicatiesysteem

AS-I en het OSI-model

Vanwege zijn eenvoud vinden we in AS-I slechts 3 lagen terug van het OSI-model.
OSI-model

OSI-model


Er zijn geen alternatieve verbindingswegen zodat de netwerklaag geen functie heeft. De transportlaag is niet ingevuld omdat er tijdens transport geen netwerk(en)-interfaces zijn. Er zijn ook geen afzonderlijke sessies; alle stations zijn constant actief in hetzelfde systeem. Er is geen presentatielaag nodig omdat de data niet zijn versleuteld of moeten worden geconverteerd.

Interfaces

In AS-I zijn 3 data-overgangen aan te wijzen. In een data-overgang worden aan een bericht data toegevoegd of afgehaald; bijvoorbeeld adres- en controlebits. Ook is het mogelijk dat aan de data bepaalde electrische waarden worden toegekend. Een data-overgang wordt in het algemeen interface genoemd. In AS-I onderscheiden we Interface 1, 2 en 3 volgens onderstaand schema.

AS-I Interface 1, 2 en 3

AS-I Interface 1, 2 en 3


Een slave(module) gebruikt interface 1 om aan de sensor/actor kant de verbinding met de actor of sensor tot stand te brengen en de data in electrisch grootheden om te zetten of omgekeerd. Interface 2 is de overgang van slave of master op het transmissiesysteem. Alle eigenschappen van de signalen en de voeding zijn vastgelegd in dat interface 2. In de master worden in interface 3 uit de ontvangen signalen weer de pure data gemaakt (software zonder redundantie) en afgegeven aan de processor van de plc of de pc.

De fysieke laag

De kabel en de voeding zijn de belangrijkste onderdelen in de fysieke laag. In de fysieke laag worden de data ook omgezet in een signaal.

De Kabel.

Twee electrische eigenschappen bepalen de bruikbaarheid van de kabel: de gelijkstroomweerstand en de impedantie.
Een eenvoudige berekening toont aan dat bij een aderdoornsede van 1,5mm² het spanningverlies binnen toelaatbare grenzen blijft.

platte prikkabel met profiel

platte prikkabel met profiel


Uitgaande van
  • een kabelsegment van 100m
  • 62 slaves gelijkmatig verdeeld over 100m
  • maximaal 2A om alle slaves te voeden
    volgt voor 100m kabel de lusweerstand uit:

R = ρ.l/A = 0,0175.200/1,5 = 1,4Ω

Het spanningsverlies bedraagt dan: U = I.R = 2 . 1,4 = 2,8V.

De voedingsspanning van 24V kan dus afnemen tot 24 – 2,8 = 21,2 V.

Voor de AS-I actuatoren is vastgelegd dat de 24V voedingsspanning mag afwijken van -15% tot +10%.

24V – 15% = 20,4V en dat is lager dan de hiervoor berekende 21,2 V: 1,5 mm² is dus een goede keuze.

KabelImpedantie

KabelImpedantie


De impedantie of wisselstroomweerstand is afhankelijk van de frequentie.

Nevenstaande grafiek laat zien hoe dat uitpakt voor de AS-I kabel.

De maximale impedantie (en dus de meeste signaalverzwakking) heeft de kabel bij 167,5 kHz.

Bij de keuze van de signaalmodulatiemethode is daarmee rekening gehouden; men gebruikt de frequentiegebieden direct onder en boven 167,5 KHz (zie ook ….)

De lengte van een AS-I kabel is maximaal 100 m. Met repeaters mag dit tweemaal worden verlengd tot 300m.

De open kabeleinden hoeven niet met een terminator te worden afgesloten. De signaalreflecties op de open einden zijn namelijk relatief zwak. Dit komt vooral door de bijzondere signaalvorm met weinig harmonischen (zie APM.)

"Stukje" bus


De als platte gele geprofileerde prikkabel uitgevoerde as-i kabel kan maar op één manier in de behuizing van een slave worden geklemd. Fout aansluiten is practisch onmogelijk. Knippen, aansnijden en strippen is niet nodig. Naast de standaard as-i kabel met 1,5mm²- AWG16 aders en gele rubber isolatie zijn er voor speciale toepassingen varianten verkrijgbaar van 0,75 mm² tot 2,5 mm² (AWG18 tot AWG14) met afwijkende isolatie en ook in ronde uitvoering. (bijvoorbeeld voor korte zeer beweeglijke verbindingen; in omgevingen waar rubberisolatie wordt aangetast; om "intelligente" AS-I sensoren / actoren direct op de gele kabel aan te sluiten, en andere speciale omstandigheden).

De hiervoor genoemde stroom van 2A naar de slaves is te beschouwen als as-i systeemvoeding. Actuatoren, zoals contactors, electromagnetische ventielen en signaallampen hebben daarnaast nog voeding nodig om te kunnen functioneren (spoelstroom, lampstroom). In deze voeding kan afzonderlijk worden voorzien vanuit een bron tot 30V DC. Deze voeding bereikt de actuatoren over een zwarte versie van de as-i kabel.

AS-I voeding

AS-I voeding


De Voeding

Een AS-I voeding heeft drie belangrijke functies.
  1. Voeden van Master en Slaves. De voeding levert maximaal 8A bij 29,5 - 31,6 V DC. Deze voeding loopt over de bruine en blauwe ader van de gele AS-I kabel.
  2. Balanceren van het netwerk.
    AS-I transporteert de data met gebalanceerde signalen over het netwerk. Heet spanningsverschil tussen de aders is bepalend en daarbij heeft geen van beide aders aard- of nulpotentiaal. Om te voorkomen dat storingen of ruis de balans verstoren, voorziet de voeding in een ruisfilter tussen elke ader en de geaarde behuizing. Dit is het enige toegestane aardpunt in het systeem.
  3. Data-ontkoppeling. Het datasignaal zou in de voeding of in het balansfilter verloren kunnen gaan. Om dat te voorkomen is in elke ader een laag-doorlaatfilter aangebracht bstaand uit de parallelschakeling van een weerstand (39Ω) en een smoorspoel (50 mH).

Alternate Puls Modulation APM

Aan het AS-I datasignaal moeten onder andere de volgende eisen worden gesteld:
  • Superpositie op de voedingsspanning waarbij het datasignaal zelf niet stroomvoerend is;
  • Smalbandig om een gelijkmatige en niet frequentieafhanklijke signaalverzwakking te krijgen (zie grafiek van de impedantie);
  • Het signaal mag geen onacceptabele magnetische ruis uitstralen; dit kan storing veroorzaken in daarvoor gevoelige apparatuur.
  • Makkelijk te genereren en de detecteren door master en slaves;
  • Voldoende bits per seconde zodat real time met een bepaald aantal slaves mogelijk blijft.

    Voor het AS-Interface is daarom de nieuwe modulatiemethode APM (Alternate Puls Modulation) ontwikkeld.

Alternate Puls Modulation APM

Alternate Puls Modulation APM


De data worden alleerst omgezet in een Manchester Bifase Codering. Dat betekent dat bij een "0" de spanning in het bitmidden van + naar - verandert; bij een "1" is het omgekeerde het geval. Op deze manier is er voor elk bit een signaalverandering (ook bij langere reeksen enen of nullen en bovendien blijft de gemiddelde signaalwaarde 0 Volt. Het hoekige signaal heeft echter, vanwege de vele harmonischen, een grote bandbreedte. De MAN-code wordt daarom omgezet tot sin²-pulsen waarvan de bandbreedte beperkt is en er praktisch geen ruis wordt gegenereerd. In feite heeft het sin²-signaal een frequentie van rond 167 kHz en dat betekent tevens een transmissiesnelheid van 167 kBps. Elk bit duurt dan ongeveer 6 msec. Omdat de enen en de nullen als amplitudeveranderingen worden verstuurd zijn er geen complexe schakelingen (bv met spoelen) nodig om deze veranderingen te genereren en te detecteren. Opmerking: Het gegeven datasignaal geeft het spanningsverschil weer tussen de aders van de AS-I kabel. Als Ub met 2 volt toeneemt betekent dat dat de potentiaal van de bruine ader 1 volt stijgt en die van de blauwe ader 1 volt daalt (gebalanceerd).



De Datalinklaag

In de datalinklaag zijn de volgende functies ondergebracht:

  • toegang tot het netwerk
  • berichtformat
  • synchronisatie
  • foutcontrole en foutcorrectie
  • adressering
  • flowcontrol

Toegang tot het netwerk

Het toegangsprotocol tot de veldbus ligt verankerd in het master-slave systeem. Er is één master en maximaal 62 slaves. De slaves kunnen geen initiatief tot communicatie nemen. De toegangsmethode tot de bus berust op cyclische polling door de master. De master stuurt de slaves een voor een een geadresseerd bericht of telegram. Binnen vastgestelde tijd moet de slave hierop een antwoordtelegram sturen.
master-slave communicatie

master-slave communicatie


De cyclustijd voor polling van alle slaves, ook buscyclustijd genoemd, is afhankelijk van het aantal aangesloten slaves. Een bittijd duurt ongeveer 6μsec. Als masteroproep en slaveantwoord samen 25 bits beslaan is te berekenen dat bij 62 slaves een volledige pollingcyclus 9,3 msec duurt. Als de plc langer doet over het scannen van zijn programma dan werkt AS-I real time. Een volledig gesprek tussen master en slave is vier-delig:
  • Masteroproep
  • Masterpauze
  • Slaveantwoord
  • Slavepauze.

Als een slave na 10 bittijden nog niet heeft geantwoord dan verstuurt de master zijn oproep nogmaals. Eventueel wordt dit in de volgende 2 buscycli herhaald; blijft antwoord definitief uit dan plaatst de master de betreffende slave op de foutenlijst. Alle gegevens van de slave worden gewist en naar buiten toe volgt een alarm.

Berichtformat

AS-I Frames

AS-I Frames


De masteroproepen bestaan uit 14 bits:
  • 1 startbit ST (altijd '0')
  • 1 stuurbit SB
  • 5 adresbits A0 t/m A4
  • 5 informatiebits I0 t/m I4
  • 1 Pariteitbit PB (even parity)
  • 1 stopbit of eindbit EB (altijd '1')

In bovenstaand figuur zie je dat het slaveantwoord geen adres bevat en er slechts 4 databits zijn; bovendien ontbreekt het stuurbit.Een slaveantwoord bestaat dus uit 7 bits.

Synchronisatie

Datacommunicatie is alleen mogelijk als de inleessnelheid van de ontvanger overeenkomt met de zendsnelheid van de zender (bits per sec). Daartoe worden de bits verwerkt op het ritme van klokpulsen. Om de gelijkloop van de klokken tijdens de tranmissie te handhaven is een vom van synchronisatie nodig. Er zijn twee methoden:
  • synchrone transmissie
  • a-synchrone transmissie

Bij synchrone transmissie lopen zender- en ontvangerklok precies gelijk. De ontvangerklok wordt met de zenderklok in de pas gehouden dmv klokextractie; dat wil zeggen dat de klok gestuurd wordt door de 1-0 overgangen in het databericht. Synchrone transmissie vindt plaats op onder andere Ethernet- en Internetverbindingen. Er kunnen lange berichten (frames) worden verstuurd.

Afbeelding toevoegen

a-synchroon start-stop-protocol

a-synchroon start-stop-protocol


Bij a-synchrone transmissie vormt elk te versturen karakter een apart bericht. De gebruiker(s) moeten vooraf aan beide zijden dezelfde kloksnelheid in stellen (bijvoorbeeld 19,2 kBps). Normaal is de verbinding "hoog". Als de zender een karakter wil vesturen maakt hij de lijn voor 1 bittijd "laag". Op dit zogenaamde startbit gaat de ontvangerklok lopen. Vervolgens wordt bij elke klokpuls een bit verstuurd en ingelezen. Mogelijk gaat de ontvangerklok iets uit de pas lopen (a-synchroon) maar zeker 14 of meer bits kunnen nog goed worden ingeklokt. Ook het aantal bits per karakter is vooraf ingesteld. De laatste 1 of 2 bits van het frame zijn weer "hoog". Dit zijn de stopbits. Na een korte pauze wordt het volgende karakter vestuurd.

Foutcontrole

In de meeste netwerken en bussystemen berust de foutcontrole op een berekening over het bericht dat daarbij als een groot binair getal wordt beschouwd. Het berekeningsresultaat (bijvoorbeeld een getal van 32 bits) wordt aan het bericht toegevoegd en door de ontvanger gecontroleerd. De CRC (Cyclische Redundancy Check), is een voorbeeld van zo'n foutcontrole die onder andere wordt gebruikt bij Ethernet en Profibus. Het aantal extra te verzenden bits (redundantie)bij deze methode is relatief laag ten opzichte van de totale frame- of packetgrootte; deze bedraagt vaak 1024 bits. Dit soort foutcontrolemethoden is bij AS-I niet mogelijk omdat het aantal redundante bits en dus ook de buscyclustijd te groot zou worden. Het systeem kan dan niet meer real time werken. Op het eerste oog zie je in het AS-I frame dat de foutcontrole bestaat uit pariteitscontrole (even parity). Maar alleen die methode garandeert natuurlijk niet dat nagenoeg 100% van de fouten wordt ontdekt. Daarom wordt elke frame ook nog op de volgende manieren gecontroleerd:
  • start-bit fout
  • polariteitsfout
  • pauzefout
  • datafout
  • stopbitfout
  • aantal bits per frame
  • stuurbit

De meeste van deze aspecten betreffen vaste gegevens van het frame. Afwijkingen kunnen makkelijk door de ontvanger worden opgemerkt. Het grote voordeel is dat het voor deze controle niet nodig is om extra bits mee te sturen. Een geadresseerde slave die een fout bericht ontvangt antwoordt niet; de master zal daarop het bericht opnieuw versturen. Ontvangt de slave een bericht met een adresfout of met een onbekend commando, ook dan zal hij geen antwoord geven. Wel antwoord geven betekent dus dat een bericht goed is ontvangen. Detecteert de master een fout in een slaveresponse dan zal hij het bericht opnieuw versturen. Met het stuurbit van de master wordt het berichttype vastgelegd: het stuurbit is "0" als de master data verzendt, om parameters vraagt of een adres toewijst. Als het stuurbit "1" is bevat het masterbericht een commando.

Adressering

In de oorspronkelijke AS-I opzet was voorzien in adressering met 5 adresbits. De master heeft altijd adres 00000; er kunnen dan 31 slaves worden aangesloten. In 1998 verscheen AS-I versie 2.1 met de de mogelijkheid van 62 slaves. Het nieuwe systeem is compatible met het oude systeem. Om dit te realiseren krijgen slaves van het nieuwe systeem de ID-code Ahex waarmee de "expanded adres mode" wordt aangegeven. De ID-code (IDentification Code) bestaat uit 4 bits en geeft het type slave aan. De ID-code is door de fabrikant van de slave permanent in de slave opgeslagen. (zie verder "Applicatielaag").
In de expanded adres mode wordt informatiebit 3 als 6e adresbit gebruikt. Dit bit noemt men dan het "select bit". Er zijn dan maar 4 bits beschikbaar voor data. Voorbeeld:

adressering

adressering


In 5-bits adresmode:

adres: 10101bin = 21dec en data 01110bin = Ehex

In expanded adresmode:

adres 101011 = 21A en data 0110 = 6



De Applicatielaag

In de applicatielaag zijn de overeengekomen toepassingen van AS-I gedefenieerd. Die betreffen de mogelijke acties van de master en de reacties van de slaves.

Master Requests

De master kent iedere slave in detail men kan die individueel "pollen" (afvragen) of commando's geven. Er zijn 13 berichttypen van de master. derstaande tabel geeft ze weer.
Master Exchanges

Master Exchanges

De tabel geldt voor de standaard AS-I mode met 31 slaves en voor de extended mode, met 62 slaves, waarbij een van de databits als Selected bit is toegevoegd aan het adres.

Data Request

Met dit bericht kan de master data naar de slave sturen, maar ook van de slave ontvangen. Het is het belangrijkste request en wordt in elke buscyclus voor elke slave gebruikt. De master kan hiermee een bitpatroon naar een slave verzenden met als doel uitgangen aan te sturen. Deze uitgangstoestand blijft dan gehandhaafd tot overschrijving door een volgend request. Maar met dit type request wordt ook de status van inputs opgehaald. Slaves kunnen zijn voorzien van een watchdogfunctie om uitgangen af te schakelen als er langer dan 50 msec geen contact met de master is.

Parameter Request

Met "Parameter Request" kan de master parameter-instellingen opvragen; de master moet dat altijd doen voordat hij parameters gaat wijzigen. Alleen als een parameter-request foutvrij is ontvangen dan kan de master overgaan tot het zenden van een "Write Parameter" bericht. De master-call "Write Parameter" wordt gebruikt om een bitpatroon naar de slave te sturen. Dat betreft dan bijvoorbeeld de presetwaarde van een tijdfunctie of de schakelafstand van een sensor. De instelling blijft gehandhaafd tot deze wordt overgeschreven of wordt gereset.
In het 31-slave systeem zijn voor parameterberichten 4 databits beschikbaar en in het 62-slave systeem 3 databits.

Adress Assignment

Het default adres van een nieuwe slave is 00hex. Met "Adress Assignment" kan de master dit adres wijzigen in een nieuwe waarde. De slave bevestigd (acknowledge) de adreswijziging door te antwoorden met 6hex en gaat dan het nieuwe adres in zijn geheugen opdslaan; dit kan wel 500msec duren.

Met dit commando wordt een operationeel slave-adres tijdelijk gewist en het commando wordt gebruikt in combinatie met "Adress Assignment"; Om bijvoorbeeld het slave adres te wijzigen in adres 07hex, worden de vokgnde commando's verstuurd:
  1. "Delete Adress"
  2. De slave antwoord met 00hex en vervolgens stuurt de master
  3. "Adress Assignment" (07hex)

Read I/O Configuration en Read ID-code

Met dit bericht leest de master I/O-configuraties op interface 1 van een slave(module). Samen met de 4-bits ID-code, die door de fabrikant in de slave is aangebracht, levert dit het slave-profiel. Bijvoorbeeld ID-code Ahex betekent dat de slave werkt in extended adress mode; een slave met code Bhex is een Safety at Work slave. Door het profiel kan de master elke slave foutloos identificeren. IN is een INgang of INput; OUT is een uitgang of OUTput; I/O is een bidirectionele component en TRI staat voor Tri-state. Deze laatste zijn uitgangen met hoge impedantie die functie hebben. De ID-code bevat de eigenschappen van de slave. De ID-code maakt het mogelijk om slavs van verschillende fabrikaat plug & play op te nemen in een AS-I systeem. Onderstaande tabel toont de nu (2008) beschikbare profielen. Zonodig worden nieuwe en door de AS-International Association goedgekeurde nieuwe profielen toegevoegd.

Slave Profielen (I/O-configuratie en ID-Code)

Slave Profielen (I/O-configuratie en ID-Code)


Extended ID-Code 1

De extended ID-Code 1 bevat informatie over de bruikbaarheid van de slave in extended adress-mode. Met het Command Request "Write" kan deze code kan door de klant/gebruiker worden gewijzigd. Doel hiervan zou kunnen zijn om eigen parametermogelijkheden in de slave aan te brengen. Met "Read" kan de code worden uitgelezen.

Zie ook FAQ AS-I op

Extended ID-Code 2

De extended ID-code 2 is bedoeld om daarmee de indentificatiemogelijkheden van de slave te vergroten. Deze 4-bits code is door de fabrikant permanent in de de slave opgeslagen en kan door de gebruiker niet worden gewijzigd maar alleen worden uitgelezen.

Reset Slave

Dit commando reset de slave in zijn basis/default staat. Deze staat komt overeen met de staat nadat de voedingsspanning net is ingeschakeld en is ook gelijk aan de het effect van een reset op interface 1. De slave bevestigd de foutvrije ontvangst van dit commando met het antwoord 6hex

Read Status

Met "Read Status"kan de master het slaveregister uitlezen. dit register bevat 4 zogenaamde vlaggen (flags).
  • S0: "Adress Volatile". Deze vlag wordt geset als de interne slave routine die het opgeslagen slaveadres bewaakt/controleert, loopt.
  • S1: Peripheral Error". Deze vlag wordt geset als de slave een fout in/op zijn periferie (omgeving) constateert. Dit zou bijvoorbeeld een te grote afwijking in de voedingsspanning kunnen zijn.(deze vlag geldt alleen voor AS-I 1.0 en wordt in de extended adress mode genegeerd)
  • S2: Nog niet in gebruik.
  • S3: "Read Error Non-Volatile Memory". Als de master de slave reset en als daarbij een leesfout optreedt dan wordt deze vlag geset.

Broadcast

"Broadcast" betekent "Omroep" zoals radio en televisie omroep. Broadcast wordt niet ondersteund in de extended adress mode. Een broadcastbericht wordt herkend aan de code 15hex en bereikt daarmee alle slaves. Voorlopig bevat het broadcastbericht altijd de boodschap "Reset". Slaves hoeven niet te antwoorden op een broadcastbericht. Mogelijk worden in de toekomst nog andere broadcastberichten toegevoegd.

De slave en het slaveprofiel

Pinbezetting van female M12 connectoren op slaves

Pinbezetting van female M12 connectoren op slaves


De tabel in de vorige paragraaf geeft een overzicht van de bestaande slaveprofielen. In het slave profiel zijn de unieke data en parameters van een slave vastgelegd.

Dit zijn in ieder geval:
  • Welke databits bevatten informatie en wat is de betekenis daarvan;
  • worden er parameters gebruikt en zo ja waarvoor;
  • hoe wordt er geadresseerd;
  • permissie om het peripherie foutbit te interpreteren;
  • hoe gedraagt de slave zich.
  • Hieraan kunnen nog zijn toegevoegd:
  • welke logische niveaus zijn er gedefinieerd voor de ingangen en de uitgangen van de slave;
  • welke vertragingen moeten in acht genomen worden bij de verwerking van in- en uitgangssignalen;
  • wat is de configuratie van de M12 connector en hoe moet de slave worden aangeduid.

Het slave-profiel wordt mede bepaald door de pinbezetting van de M12 connectoren. Voor de meest gebruikte connectoren toont onderstaand overzicht de specificaties.

De EduLab wiki gebruikt ScrewTurn Wiki software versie 3.0.5.600.